De huidige familie "Sieroversche" volgt juridisch de oude familie "zur Oeveste", vandaar dat hier alleen de Sociaal Historische Status van deze familie beoordeeld zal worden. Hierbij kan er reeds op worden gewezen dat hun voorouders onder de naam "von Drele" behoorden tot de dienstmannen (ministerialen) uit het Bisdom Osnabruck. Maar tot welke Sociale klasse konden zij gerekend worden nadat zij zich verbonden hadden aan het Johanniter Ridderhuis in Lage?
Volgens de Middeleeuwse Gedachtenwereld had God ieder zijn of haar plaats in de samenleving aangewezen en werd het streven om een hogere plaats in deze samenleving te bereiken gezien als een doodzonde. De maatschappij werd derhalve gezien als een drie standen maatschappij; de Geestelijkheid die diende te bidden en zorg te dragen voor het zieleheil van de bevolking, de Adel die zorg had te dragen voor de verdediging van de bevolking en uiteindelijk de Boeren die dienden te werken om iedereen te voeden.
In deze Gedachtenwereld namen onze voorouders de zogenaamde derde stand van de Boeren in, zij die zonder rechten waren en slechts de plicht hadden om te werken. Een vrij eenvoudige maatschappij waarin alles zijn voorbestemde plaats en orde had. Het verschil tussen filosofie en werkelijkheid is echter een wereld van verschil en de Maatschappij uit de Middeleeuwen was echter ver van eenvoudig.
In deze wereld had men als persoon te maken met de status verbonden aan zijn afkomst, zijn rechterlijke status en zijn feitelijke status verbonden aan amt, beroep of de woning. Zo kon een verarmde edelman wegens omstandigheden zich in de horigheid van een klooster begeven en diens opzichter worden over een buurtschap van verschillende boerderijen. Binnen zijn gemeenschap zou hij door zijn afkomst nog steeds gezien worden als de Edelman, echter voor het Klooster zou hij gezien zijn feitelijke status als een hogere horige worden gezien, gebonden door zijn amt en huis aan het kloosterdomein. Zijn rechterlijke status zou echter ondanks zijn gebondenheid tot de grond waarop hij woonde nog steeds die van een vrij man zijn.
Wie dus iets wil vertellen over de sociale klasse van zijn voorouders zal zich dus moeten verdiepen in de diverse omstandigheden van zijn voorouders en het land of domein waar ze in woonden. In ons geval was het domein waar onze voorouders aan verbonden waren eigendom van de Soevereine Militaire Orde van Hospitaal Ridders van Malta. De eerste vraag die dan beantwoord moet worden of onze voorouders beschouwd werden als een deel van deze ridderorde en zoja waar in de hierarchie van deze orde zij te plaatsen waren?
Allereerst hebben wij de Stichtingsoorkonde uit het jaar 1245 waarin staat geschreven dat het Huis te Lage, samen met de waterlopen, de territoriale rechten en zijn ministerialen op deze landen gezeten door de Graaf van Teckelenburg aan het Hospitaal in Jerusalem werden geschonken. Deze Ministerialen waren oorspronkelijk onvrije dienstmannen, die beschouwd werden als de laagste klasse in de Ridderschap en welke in ruil voor hun dienstverlening werden beleend met een boerenhoeve.
In het Saksische landrecht (Zoals deze vervat staat in de Sachsenspiegel, geschreven tussen 1220 en 1230 door Eike von Repkow) vinden wij deze klasse van mensen vermeld onder het 6e Heerschild als de zogenaamde Vazallen, Eremannen en de tot de Schepenbank gerechtigde lieden. Deze klasse van Ministerialen verschijnen gebruikelijk als Boerenrechter in hun dorp en hoewel zij feitelijk onvrij zijn, worden zij door de rechtbank gezien als vrije mensen. Uit de genoemde Stichtingsoorkonde blijkt dus de basis van de Sociale Structuur binnen het Domein te Rieste te liggen bij de Maltezer Ridders, hun Ministerialen en andere helpende handen.
Een ander inzicht in de Sociale Structuur van dit Domein word gegeven in een Oorkonde uit het jaar 1384 waarbij precies 45 broeders in de Orde van Sint Jan worden genoemd. Als wij echter kijken naar de omvang van het Kasteel Lage in die periode, dan zien wij een gebouw wat nooit een permanente opvang aan 45 personen had kunnen bieden. Uit dezelfde Oorkonde weten wij echter dat 7 van deze broeders de Ridderlijke status bezaten en 3 broeders de Geestelijke Status. Hieruit kunnen wij concluderen dat er precies 42 mensen konden handelen in Wereldlijke zaken waarvan de Kerk en zijn vertegenwoordigers waren uitgesloten. Dit stemt overheen met de 42 gebruiksrechten in de mark, waarvan er precies 7 tot het Ridderhuis zelf behoorden. De resterende 35 delen vallen op de diverse hoeves in het domein en we mogen in de 35 overgebleven broeders dan ook de Dienstmannen beleend naar boerenleenrecht zien. De conclusie die hieruit voorkomt is dat onze voorouders behoorden tot deze broeders als deel van de Ridderorde, die een aktieve rol hadden binnen de Ridderorde en behoorden tot de Wehrgerechtigde (het erfelijk recht op een boerderij met hieraan verbonden het recht om als schepen binnen het buurschap op te treden in naam van hun Soevereine Heren).
Op basis hiervan zouden zij binnen de Maltezer Orde beschouwd worden als de 6e klasse binnen de Hierarchie van de Orde, genoemd Donate of Schildknaap. Een extra bewijslast wat deze conclusie ondersteund is te vinden in de jaarlijkse Schuttersfeesten, waarin onze voorouders het recht hadden om als Korporaal van de Militaire Orde van de Ridders van Malta op mocht treden. Als men deze Militaire rang vergelijkt met de Duitse equavalent dan is het de rang van een “Fahnenjunker”. De functie van Fahnenjunker betrof een jongen geboren uit een Adellijk huis, welke een opleiding tot strijder ontving en de eer ontving om het vaandel van zijn heer te dragen en welke functie gelijkwaardig was aan die van de Schildknaap in de Middeleeuwen.
Hoewel wij op basis van deze gegevens onze voorouders zouden aanmerken als behorend tot de lagere landadel, is deze conclusie niet steekhoudend. Immers deze conclusie zou opgaan voor alle families in dit domein die een vol(waardig) deel in de Markegronden zouden bezitten. Dit zou betekenen dat er 23 hoeves en vertegenwoordigers binnen een domein aanwezig zouden zijn met een dergelijke status die dan als Pares inter Pares (gelijken onder de gelijken) met elkaar zouden omgaan. Binnen een Middeleeuwse samenleving zou een dergelijke sociale structuur echter niet werkzaam kunnen zijn, hierbij komt dan ook nog eens de onvrijheid van de bewoners van deze hoeves. Hierbij moet nog wel vermeld worden dat de onvrijheid van de bewoners geen juridische onvrijheid betrof, daar zij voor de rechtbank wel als Vrije Mensen berecht dienden te worden. Hierdoor kon een erfpachter uit dit domein dan ook voor de rechtbank een aanklacht indienen tegen een eigenerfde boer, een vrij edelman of zelfs tegen zijn eigen Heer. De genoemde onvrijheid betrof het Glebea Adscripta (aan de grond vastgeschreven), de bewoners waren door het Empytheutisch recht gebonden aan de hoeve die zij bewoonden en bewerkten. Zij konden deze hoeve niet zondermeer verlaten, hun Heer kon hen niet zondermeer van hun land afzetten.
Terugkomende op de 23 volle hoeve eigenaren, die samen 1/5e deel van alle boeren vormden en hiermee dus al een zekere toplaag binnen de boerenbevolking vormden, er was ook binnen deze groep nog een onderscheid tussen de families welke het meest aanzienlijk was. In deze vorm van een boeren aristocratie ging het naast het volle deel in de Marke, ook nog om het aantal hectares in grond, de grootte van de veestapel en de hoogte van de belasting die men diende te betalen.
Binnen deze toplaag van de Volerben (geerfde volle boeren) werd de boerderij qua grondoppervlak op de vijfde plaats gezet, qua veestapel stond de boerderij echter op de derde plaats, terwijl hij qua belasting op de tweede plaats gelijk na de Meier hoeve van Rieste werd genoemd.
Gezien onze boerderij behoorde onze familie tot de heersende sociale laag binnen hun eigen plattelandsgemeenschap en werden de onder de term “Erbarkeit” aangesproken. Deze aanspreekvorm werd normaal alleen aan eigenerfde Heren- of Scholtenboeren (Großbauern), de landadel of de heersende stadsgeslachten gegeven. Onze voorouders werden dus aangemerkt als het Patriciaat binnen het Maltezer Domein te Rieste en waren in sociale status gelijkwaardig aan een meier geslacht.
De Meier (ook: maiorum, villicus, drost, advocatus, conductor, dispensator, gastaldio, gastaldus, magister, major [villae], massarius, oeconomus, officialis, officiatus, procurator, provisor, scultetus (schult, schout) curiae, syndicus) was in de middeleeuwen een beambte in dienst van een lands- of dorpsheer. Dikwijls was hij de uitbater van de vroonhoeve en beheerde in naam van de heer andere boerenhofsteden (het saalland of salland). Als rentmeester inde hij de pachten en heerlijke belastingen (cijns) in. Ook delgde de meier de schulden aan de heer en hield hij toezicht over karweien en belastingen in natura aan de heer. Hij behoorde in de Heerlijkheid of Domein waar hij aan verbonden was tot de hoogste laag, de zogenaamde Aristokratie van de Boerenstand. Door het nauwe dienstverband met hun Leenheer waren ze zelfs gerechtigd om bij speciale gelegenheden aan de tafel op het Kasteel aan te zitten en deel te nemen aan het diner.
De conclusie die hieraan verbonden kan worden is dat gezien de opbrengsten van de boerderij zelf, de te betalen belasting, de bedrijfsgrootte en de positie en taken van onze voorouders, zij aangemerkt mogen worden als de zogenaamde “upperclass” binnen een Boeren Maatschappij. Het is dan ook niet bevreemdend dat een nakomeling in de 19e eeuw schrijft dat zijn geslacht behoorde tot de aanzienlijke en vooraanstaande families uit zijn regio. Hoewel zij feitelijk behoorden tot de horige stand van boeren, gebonden aan de boerderij waarop zij woonden, waren zij in functie en status meer dienstman of ambtenaar en werd het zware veldwerk door de arbeiders op de 4 kleinere boerderijen overgenomen die horig waren aan de hoofdhoeve van onze voorouders.
Adeldom of Patriciaat
Zoals reeds hierboven beschreven staat waren onze voorouders meer dienstmannen of ambtenaren binnen hun district dan dat het echte landbouwers waren. Het zwaardere landbouwwerk werd dan ook voornamelijk uitgevoerd door de vier aan hun onderhorige hoeves. Toch bleef het op basis van deze gegevens moeilijk te beantwoorden of onze voorouders ook behoorden tot de Adel van het Duitse Rijk.
Zelfs de correspondentie met de Hoge Raad van Adel in Nederland, de Soevereine Militaire Orde van Malta of de verschillende groepen binnen de Protestantse Ridderorders van Johannieters, geven geen eenduidig antwoord op deze vraag. Hoewel Adeldom niet erkend word, word dit ook niet bestreden door de desbetreffende instanties.
Gebaseerd op ons eigen historisch onderzoek en gelet op de positie die onze voorouders innamen in de maatschappij op basis van het Saksisch landrecht in Eike von Repgow zijn Sachsenspiegel, kunnen wij zien dat onze voorouders werden geclassificeerd onder het 6e Heerschild en waren feitelijk naar recht vrije dienstmannen genaamd "Ministerialen" welke waren beleend naar het boerenleenrecht.
Over geheel Europa was deze stand van dienstmannen bekend en hoewel zij in de oorkonden optraden naast de Adel, waren zij van oorsprong onvrij en vormden zij een geheel eigen klasse die slechts door hun eigen standsgenoten berecht konden worden. In de Middeleeuwse gedachten wereld die uitging van een drie standenmaatschappij; de geestelijkheid, de adel en de boeren (bidders, strijders en werkers), elke stand geheel van elkaar afgesloten, met een ieder op de door God gegeven plaats, werden de dienstmannen die duidelijk niet tot de Adel of Geestelijkheid behoorden, onder de klasse van boeren gerekend. Dat de stand van dienstmannen over "juridische bevoegdheid" beschikte wat hen boven de boerenstand uit die tijd plaatste, werd door de Adel afgedaan als; "het zeep waarmee je het varken schoon wast".
Deze geheel eigen stand die beschikte over juridische bevoegdheid werd in Duitsland sinds de 15e eeuw de "Ehrbarkeit" genoemd. Deze maatschappelijke laag tussen de Adel en het gewone volk, bestond uit de vrije geslachten in de Stad of op het platteland, welke het recht op bestuurlijke en juridische functies en het voeren van een wapen bezaten. Onder deze groep werden eveneens de beamtes gerekend die op de landdagen verschenen. Deze stand welke eveneens bekend stond als het "Patriciaat" zag in het midden van de 17e eeuw zijn invloed afnemen door de Adellijke Ridderschap, op grond waarvan in 1654 het Neurenbergs Patriciaat een juridische zaak tegen de Ridderschap aanhangig maakte over de "Ebenbürtigkeit" (Ebenbürtigkeit is een juridische term die aangeeft dat zij tot dezelfde stand behoorden) van hun stand en de Adel en uiteindelijk hun beschermheer de Keizer om een uitspraak verzochten. In twee privileges uit het jaar 1696 en 1697 werd "Ebenbürtigkeit" van deze groep met de Adel door Keizer Leopold bevestigd; het oeroud, adellijk en ridderlijke afkomst, lang voordat men zich in de stad had begeven had men in een adellijk en ridderlijke stand geleefd, waren uitgenodigd om deel te nemen aan toernooien, waren tot ridder geslagen en waren opgenomen in Adellijke Stichtingen en Ridderordes. Voortaan mocht het Patriciaat dat zich voorheen alleen "Erbar" mocht noemen, zich voortaan als "Edel" betitelen.
Hoewel deze privileges vooral betrekking hadden op het Neurenberger Patriciaat volgde snel het Patriciaat in de verschillende Steden en Landschappen dit recht op erkenning van "Ebenbürtigkeit" tot de Adel op.
Onder de benaming "Erbar" en dus behorend tot de "Ehrbarkeit" vinden wij onze voorouders in het buurrecht genoemd, waar zij optreden als schepen of buurmeester, woordvoerdeŕs van de buurraad en als aanklagers voor de Commanderij Lage bij de Landskanselarij te Osnabruck. Eveneens werd in de 1e helft van de 18e eeuw de "Ebenbürtigkeit" van de "Ehrbarkeit" in het keurvorstdom Hannover erkend en werd deze stand als gelijkwaardig in rang en titel aan de Aristokratie en Hofadel als "Staatspatriziat" opgenomen. In 1756 word de eerste familie uit Rieste, namelijk de familie "Meyer zu Rieste" als ambtmannen familie onder het Staatspatriziat ingeschreven. Op grond van de hoge kosten die met deze inschrijving verbonden is, moesten echter vele families afzien van deze procedure van erkenning en opname.
Om alle rechthebbende families wel in beeld te houden werd in opdracht van het Keizerrijk in 1889 een start gemaakt om deze families te registreren in het "Genealogisches Handbuch bürgerlicher Familien", welke in 1956 werd hernoemd in het "Deutsche Geschlechterbuch". Het einde van het Keizerrijk en de afschaffing van de Duitse Adel in 1919 bracht geen verandering in deze opdracht. Door de opname in het Deutsche Geschlechterbuch werd de familie "Zur Oeveste" in 1974 erkend als het "Niedersächische Patriziat".
De conclusie welke nu op grond van de bewijsvoering gegeven kan worden is dat onze familie tot de klasse van het "Niedersächische Patriziat" (Patriciaat) hoort, welke op grond van de Keizerlijke privilegien uit het jaar 1696 en 1697 in rang en geboorte gelijkwaardig was aan de lagere Adel en zich bij Keizerlijke beschikking "Edel" mag noemen. Een geslacht voortgekomen uit dienstmannen genaamd Ministerialen, welke in een adellijk en ridderlijke stand hadden geleefd, waren uitgenodigd voor toernooien en tot ridder waren geslagen op grond van hun eerbare rechten.
Persoonlijke titel
Door de aankoop in 2008 van het Riddergoed Pommlitz (Mügeln) viel het historisch naamsrecht van de titel "Erbherr auf Pommlitz" toe aan Jan Sieroversche (1968-). Hoewel het hierbij een persoonsgebonden titel van "Heer" betreft (vergelijk ambachtsheer), mogen de (klein)kinderen die geboren werden in de periode nadat hun ouders dit recht ontvangen hadden, deze titel erfelijk voeren zelfs als het bezit waaraan deze titel verbonden was weer verkocht werd. Hierbij kan gewezen op het Koninklijk Huis waarbij 1 van de titels van de Monarch; "Erfheer en Vrijheer van Ameland" is. Door het bezit van dit Riddergoed verschuift de Sociaal Historische Status vanuit het Patriciaat naar die van de Ridderstand. Van gelijkwaardigheid tot de Ridderstand naar de feitelijke Ridderstand met als titel "Ridder".
Der Wohlgebohrne Herr Johann Michael von Schindler Erb, Lehn und Gerichts Herr auf Rüdigsdorff, Neuhoff, Pomlitz (Pommlitz) und Zschoppelshayn 1668-1740.