Riddergoed Pommlitz
Mügeln
 

Geschiedenis Riddergoed Pommlitz

1081 de Villa Musitscin met Beloz en Milvos (Mutzschen, Bohlitz en Mahlis)  en het Miriquidi (duistere woud = Mutzschener Heide), welke in de Chutizi gouw van Graaf Egbert liggen, word door Koning Hendrik IV geschonken aan zijn getrouwe Chitele.


13 november 1198 Cunradis en Rudolfus de Mals als getuigen aanwezig op het Collmer Landthing.

24 augustus 1284 Markgraaf Heinrich draagt het Klooster Staucha een nog te rooien woud in leen over welke vroeger tot het dorp Mals (Mahlis) behoorde en welke de ridder Hermann von Wadewitz hem overgedragen en aan het Klooster verkocht had voor 42 Mark.


1348 De markgraaf van Meissen schenkt de Duitse Ordensridder (in 1325) Heinrich von Kaltenborn goederen als vrij eigendom met het patronsaatsrecht, welke vroeger uit het bezit van Hermann von Wadewitz was gekomen. Het betrof hierbij de goederen in Mahlis waarmee Ultz von Mals beleend en waaruit hij 3 mark tienden ontvangt en de goederen te Wadewitz waarmee Johannes von Groppendorf is beleend en waaruit hij 4 mark tienden ontvangt.


In 1377 staat Pommlitz nog niet genoemd in het tiendenregister van de markgraven van Meissen, wel in die van het jaar 1378. De geregistreerde naam "Pom(e)wicz" laat zien dat het hier oorspronkelijk om een "Boomgaard" (Pomerium) ging. 


26 mei 1383 Albrecht von Kaldenborn geeft de Kloosterjonkvrouwen von Moselwicz en von Kadiz uit het Klooster Marienthal te Sornzig de tienden uit de dorpen Remsa en Grauzewitz.

1412 de Broers Johann, Friederich en Albrecht von Kaltenborn verkopen de raad van Oschatz 180 Hongaarse guldens uit tiendes van het dorp Wadewitz voor het Frohnleichnamsaltar in de hoofdkerk van Oschatz met de verplichting om hier 4 missen te lezen.

1416 De zonen van de overleden Albrecht von Kaltenborn; Ulrich, Hans en Friedrich bevestigen de door hun vader gegeven tienden aan de hoofdkerk van Oschatz uit hun erfleen te Wadewitz.

1421 Uit Pommlitz wordt 9 modius Koren en 9 modius Haver aan de Bisschop van Meissen overgemaakt door Hanns Eylaw. "Nobilis  ibidem dictus hanns eylaw habet 10 mansos, de quibus dat". (Nicolaus) Johannes (von) Ilow, was Domheer van Meissen en kwam uit het Wittenberger Land. Hij was tot zijn dood in 1443 beleend met het (Johannes) von Kaltenborn Prebende.


In 1421 koopt Nickel von Heynitz het dorp Wadewitz vrij van de tienden aan Oschatz van de Markgraaf van Meissen.


29 september 1424 Ulrich von Kaltenborn (Kaldenborn) en zijn vrouw Dorothea verkopen hun goederen in het klooster in Krumbach ( Krumpach) [Wüstung bij Oschatz]; de rente, hout en het weide gewas aan de abdis Anne Karas, de provoost Jakob (Jacoff) van het klooster van het Sornzig voor 9 Rijnlandse guldens goud. Getuigen: Hans von Canitz (Canicz), gezeten op Schlatitz (Slawschicz); Ramfo Sylicz [Seilitz?] zu Saalhausen (Salhusen) [zw. Oschatz]; Friedemann (Fredman) von der Warthe, gezeten op Wiederoda (Wederode); Ylowe, gezeten op Pommlitz (Pamelwicz) [w. Mügeln].


1447 Nicolaus von Heybitz (Heynitz) verkoopt zijn aandeel uit Bernbruch.

27 maart 1454 De Markgraaf von Meissen verpand het amt van de stad en het slot Grafenhainischen aan de gebroeders Albrecht, Balthasar en Siegmund von Heynitz, zonen van de overleden Nickel von Heynitz voor 1100 gulden tot 2 februari 1457.

1460-1478 Christoph von Heynitz op Wiederoda en Mahlis.


1489 Siegmund von Heynitz op Mahlis, Wiederoda, Kefferbruch en Grumbach.


1501 Sigismund von Heynitz auf Mahlis verkoopt het Voorwerk Pommlitz aan Hans von der Heydt (von Groba, Misslareuth en Ellefeld) om de gerechtskosten te betalen die verband houden met de doodslag van een boer. Om dezelfde reden werd Mahlis in 1533 verkocht door de doodslag van een andere boer in 1526. In 1525 werd hij commandant van kasteel Grimma.


In het jaar 1515 wordt Hanns von Eyt (von der Heyde) vermeld als amtsassige op het Gut Pomlitz onder de 4e plaats van het Schriftsassige Gut Mahlis van Siegmund von Heinitz. Zijn broer "Thomas von der Hayd" (von der Heyde) was vanaf 1527 secretaris van de keurvorst van Saksen.

In 1519 voor het eerst de vermelding als "Riddergoed" Pommlitz in plaats van "Voorwerk".


Tijdens het bezoek van Marten Luther aan het Grimma-kantoor in 1529 wordt Pommlitz beschreven als een Riddergoed met zeven tuinders. Dit Riddergoed is sinds 1525 als leengoed eigendom van de familie von Taupadel. De leenman van dit Riddergoed, de Ridder George von Taupadel, was in 1503 al kapitein van Stolpen.


In 1529 kocht Georg von Taupadel op Pommlitz en Börtewitz met toestemming van de Keurvorst Johann van Saksen het pfarrgut van Börtewitz met een vervallen woning voor 600 florijn.

 

Op 17 juni 1531 boden de Ambtslieden in Mutzschen hun excuses aan bij Keurvorst Johann van Saksen omdat zij misbruik hadden gemaakt van het recht op publicatie van het smaadschrift tegen Luther door Valentin Ickelsamer in 1525. Het betrof hierbij de volgende ambtslieden; Hans Kanitz, George von Heynitz, Hans Stentz en George Taupadel auf Pommlitz. Hij was een broer van Albrecht von Taupadel op Röhrsdorf en Hanss von Taupadel, geboren in 1490 op Fichtenberg.

In 1547 moest hij als eigenaar van het Voorwerk het volgende aan het Amt Grimma betalen; Amt Grimma 3 gram erfzins Walpurgis. Opmerkingen: geeft de eigenaar van het Vorwerk Amt Grimma 6 gram erfzins van Michaelis. Opmerkingen: geeft de eigenaar van het Vorwerk Amt Grimma 9 schepels graan aan erfzins Martini. Opmerkingen: geeft de eigenaar van het Vorwerk Amt Grimma 36 schepels van haver erfzins Martini. Opmerkingen: geeft de eigenaar van het Voorwerk  Thaupadel zu Pommlitz 2 ß gr rente van Thaupadel zu Pommlitz 1,5 schepels graan rente van Thaupadel tot Pommlitz 1,5 schepels haver rente van Thaupadel tot Pommlitz 3,5 ß eieren rente van Thaupadel tot Pommlitz 13 kippen rente. Er zijn 7 besessene (horige) van Pommelwietz, allemaal Dreschgärtner, welke allemaal leen- en rentedragend zijn aan die van Thaupadel zu Pommlitz. Hun boerderijen hebben behalve hun tuinen geen andere (grond)rechten in het Leengoed. De bewoners moeten alle zaken die bij de hogere rechtbanken aanhangig zijn, melden aan de rechter in Wadewitz, die de klacht zo snel mogelijk bij het Amt (Grimma) moet melden. - Zo moeten ze dus ook de Türkensteuer en andere investeringen dragen die de edelen tijdens hun ambtsperiode opleggen. Over het Erbgericht is de gebruiker: van Thaupadel tot Pommlitzin over het dorp en het voorwerk, de Erbherr van Thaupadel wijst een rechter toe aan de Dingstoel von Pommlitz, maar het Amt Grimma behoudt zich het recht om deze rechter te mogen ontslaan en zelf een man te benoemen als de gekozen rechter niet voldoende toezicht houd op de eisen van de Hogere Rechtbank. In het Amt dienen zij niet, maar ze moeten een reisigen Knecht (gewapende ruiter) aanhouden, betalen en beschikbaar stellen tijdens veldtochten. De bewoners van het Riddergoed moeten in Ablass ter  parochie gaan.  


Op 24 april 1547 vond de Slag bij Mühlberg plaats tussen de katholieke keizer Karel V en de protestantse Schmalkaldische Bond. Vooral het gebied tussen Mühlberg en Fichtenberg was een strijdtoneel, waarbij ook de Ridders van Taupadel betrokken waren vanwege hun bezittingen in Fichtenberg. Uit deze tijd stammen ook twee legendes over de familie "von Taupadel" en hun bezittingen. Hoewel de legendes hierbij de plaats Fichtenberg noemen kan de legende van de Schaapskooi toegeschreven worden aan Pommlitz, welke op dat moment nog als Schaapskooi van de familie "von Taupadel" in gebruik was. In de eerste staat dat er ten tijde van de Slag bij Fichtenberg een tafel van onbekend hout in het kasteel van de familie von Taupadel stond en dat deze al 400 jaar in het bezit van de familie von Taupadel was. Als iemand erin sneed, herstelde deze plek meteen, maar degene die erin sneed, zou datzelfde jaar sterven. Eens liet een waaghals zich vastbinden en de hele nacht opsluiten in de kamer van het kasteel. Hij werd echter zo gemarteld en gekweld dat hij er de volgende ochtend niet meer uitzag als een mens. Hij lag ook op de grond met de tafel bovenop zich. Het verhaal ging dat Sint Bartholomeus ooit op deze tafel gemarteld werd. Het tweede verhaal vertelt over de geest in de vorm van een oude man met een wit uiterlijk die verscheen in de schaapskooi op  het landgoed van "von Taupadel" in Fichtenberg en voorspelde wie aan de kant van het kwaad stond.


Op 29 september 1586 werden de vroondienst voor de teelt van gewassen op het voorwerk Pommlitz door keurvorst Augustus van Saksen afgeschaft. In hetzelfde jaar vinden we een kaartuitsnede van Saksen; “Ein forwergk und schefereij dabey und 7 dreschgertner hayt Pomeliz ist von Gergen von Taupadel”.


1589-1603 Niederwaidwerk und Jagdschied für Hans Christoffel von Zscheschau zum Buche sowie weitere eingezogene Jagden und anderen von Adel bewilligte Jagddeputate im Amt Leisnig, namentlich: von Auerswald zu Kertzschwitz, von Schellenberg zu Podelwitz, von Altmaßhofen zu Zschirla, des Rates zu Leisnig, von Grünroth zu Kirwitz, Hendell zu Obersteina, von Taupadel zu Pommlitz, von Kotteritzsch zu Kroptewitz, Münch zu Grauschwitz, von Grünroda zu Wiederoda, von Canitz zu Schladitz, von Canitz zu Gröppendorf, von Zeschau zu Buch, von Arraß zu Korpitzsch, von Bresen zu Motterwitz, von Heinitz zu Böhlen, von Arraß zu Poltitz, von Arraß zu Marschwitz, Runge zu Rittmitz, Marschalch zu Theeschütz, Marschalch zu Kohren, von Hausperg zu Leuben, Bock zu Saalhausen, von Hausperg zu Schweta, von Guntterode zu Ziegra, von Leimbach zu Kühren, Kitzscher zu Stockhausen, Kitzscher zu Hartha, Lauterbach zu Gebersbach, von Köseritz zu Hermsdorf, von Hausperg zu Döbeln, Leuterbach zu Neschkowitz, die Schule Meißen, von Saalhausen zu Schumschütz, von Saalhausen zu Schweta, von Haugwitz ebenda und zu Leipnitz

In het jaar 1590 wordt het landgoed beschreven als het oude torenhuis (vermoedelijk een Speicher), waaraan het nieuwe gebouw staat met daarachter de tuin en het bos. Het beschikt over het erbgericht en het lage jachtrecht waarvoor echter 50 fl. jachtgeld naar het Slot Wermsdorf aan de Keurvorst van Saksen betaald moet worden. Als "Mannlehengut" (Een Riddergoed welke alleen op een zoon vererft kan worden) aan Christoph Heinrich von Taupadel toegekend door de Keurvorst van Saksen. Al in 1620 stond George Christoph von Taupadel het leengoed van Pommlitz en Bortewitz af aan Caspar von Gunderode, net zoals hij in 1634 het leengoed van Gröppendorf aan Christoph von Canitz afstond. Hij verkocht Bortewitz voor 8.300 gulden. Hij werd geboren in 1595 als zoon van (Christoph) Heinrich von Taupadel en Suzanna. Hij was getrouwd met Maria von Erlach. Overleden in Bazel in het jaar 1647. Zweedse generaal en heer van Gröppendorf en Pommlitz. 


Van 1620 tot 1640 is Caspar von Gunderode en vervolgens zijn dochter Fraulien Agneten Elisabeth von Gunterods voor haar zoon Hans Ernst von Seydewitz leendrager van het Riddergoed. Ze huwde op 3 februari 1625 met Hans Georg von Seydewitz, van 1617 tot aan zijn dood in 1639 Leendrager van het Riddergoed Martinskirch als zoon van Hans Wolf von Seydewitz en Amalia von Heinitz.

Hans Ernst von Seydewitz, geboren 1632 te Martinskirch. Van 1670 tot zijn overlijden in 1712 is hij de nieuwe Slotheer van  Pommlitz, welke omstreeks 1640 in opdracht van zijn moeder werd gebouwd. Een 19e eeuwse tekening van het Slot laat namelijk aan de linketvleugel het familiewapen "von Gunderode" en op de rechtervleugel het familiewapen "von Seydewitz" zien. In 1670 kocht hij voor 10500 gulden het Riddergoed Börtewitz welke hij in 1672 weer verkocht. Hij was gehuwd met Catharine Sidonie von Schönberg en omstreeks 1680 met Magdalena Eleonore von Metsch. In 1699 werd de keurvorstelijke Saksische kapitein Hans Ernst von Seydewitz, uit Pommlitz, beschuldigd van hekserij en tovenarij, wat leidde tot het faillissement van de familie von Seydewitz. Hij werd voor rechtbank gedaagd omdat er naar verluidt een “Spectri, genaamd de Kobold” in zijn huis verbleef.



Johann Christoph Michael von Schindler, geboren rond 1668 en overleden in 1740. In 1731 Königlich Polnischer Kursächsischer Geheimer Kriegsrat, Generalmajor und oberster Landkriegs-Kommissar. Zijn vrouw was Friederike Louise, geboren von Hundt en Altengrottkau. Hij beheerde het landhuis Neuhoff, Rüdigsdorf bij Frohburg en Zschoppelshain bij Rochlitz en kocht in 1712 het amtsässigen (ambachtsheerlijkheid) Riddergoed Pommlitz.

 


Friedrich Gottfried von Schindler, was van 1743 tot zijn overlijden in 1759 de enige eigenaar van het  "altsschriftsässigen" (vrije heerlijkheid of baronie) Riddergoed Rudigsdorf im Borna en Riddergoed  Pommlitz unter Mügeln. Majoor in het Koer Saksiche Leger. 

In 1742 blijken er verbouwingen op Pommlitz plaats te vinden als de bedrijfsgebouwen erbij gebouwd worden. Op de kaart vertoond Pommlitz zich nog als U-vorm, korte tijd later heeft het de vierkante vorm. Dit word nog eens benadrukt door het riddergoedsarchief, welke met het jaar 1743 begint.


Friedrich Gotthelf von Schindler aus Pommlitz, geboren 1753 in Pommlitz en overleden in de nacht van 28/29 October 1823 in Wurzen, 70 jaar oud. Op 30 september 1774 genoemd als Student uit  Pommlitz. Erb-, Lehn-, und Gerichtsherr auf Zschoppelshain en Pommlitz. In 1784 genoemd als "Oberhofgerichtsassessor" te Leipzich en op 23 april 1790 "Stift/Regierungsrath" te Wurzen. Hij verkoopt in in 1794 het Slot Pommlitz.


In 1795 werd "Fräulein von Holläufer" eigenarese van het Slot Pommlitz en huwt met Majoor Adam von Wedell, welke in 1819 als Direkteur van de Porseleinfabriek in Meissen genoemd staat. Op dat moment wordt Pommlitz beschreven als; "eine Gutssiedlung mit einem regellosen Häusleranbau westlich des Gutes. Die Fluren sind Gutsblöcke und weisen darauf hin, daß das Rittergut die dominierende Rolle innehatte. Der Kartenausschnitt aus dem Jahre 1839/40 zeigt das noch einigermaßen deutlich, weist dazu noch eine Ziegelei aus". 


 

Aan het begin van de 19e eeuw was er sprake van 3 hoeven. De hoeve is een vlaktemaat, die in Saksen meestal zo'n 15 tot 16 hectare groot was. Met iets minder dan 50 hectare zou Pommlitz daarmee het kleinste Landgoed in Saksen zijn geweest. Kort na het huwelijk van majoor Adam von Wedel met juffrouw von Hollaufen kreeg het herenhuis of slot Pommlitz zijn huidige vorm, zoals blijkt uit de bouwtekening uit 1893. In de vroeg architecturale stijl van classicisme naar Palladio tot slot gebouwd of verbouwd. Of zoals dit Riddergoed in een boek uit het jaar 1850 beschreven staat; "das Gut hat ein Herrschaftliches Schloss im Grossartigen Styl erbaut". Om in dit Herenhuis in een klein dorp in Saksen een interpretatie te zien van de Palladiaanse Stijl uit Italië is niet zo vreemd als het lijkt. Na zijn Italiaanse reis werd Johann Wolfgang von Goethe, samen met de hoofdboswachter Otto Joachim Moritz von Wedel (broer van Adam von Wedel) in 1796 benoemd tot de Bouwcommissie van Saksen door de hertog van Saksen-Weimar. 


Van 1822 tot 1835 was Pommlitz het bezit van Karl Christian Gottlieb Kopp.


Johanna Sophia Lochmann (1776-1857) haar zoon "Carl August Lochmann" kocht met de hulp van zijn moeder in 1835 het Riddergoed in Pommlitz met een huis, schuur en tuinmanswoning. Het ging opnieuw verloren tijdens een faillissement in 1840.

In het Statistisch Handboek van de Landbouw van het Koninkrijk Saksen uit 1878 wordt als enige landeigenaar voor Pommlitz de weduwe van Auguste Müller genoemd, die het Riddergoed exploiteert met een veldoppervlak van 183,2 hectare en een aangrenzende distilleerderij. Deze sprong naar bijna een verviervoudiging van het oppervlakte welke beschreven stond in 1819 lijkt onbegrijpelijk. In het bevolkingsregister uit 1931 wordt naast de grondeigenaar nog 2 andere ondernemers en een zakelijke pachter vermeld die kennelijk grond hadden verworven, want in 1900 was er slechts sprake van een landgoedomvang van 105 hectare. Naast bijzondere gewassen als vlas en wede werd er vooral graan verbouwd, wat uiteindelijk de basis vormde voor de stokerij. Ook de veehouderij was belangrijk. Aan het begin van de 19e eeuw was er sprake van een kudde schapen met 300 dieren. In 1925 was er geen sprake meer van schapen. Er zijn 95 runderen, waarvan 60 melkkoeien, en 24 paarden, evenals varkens gespecificeerd. De paarden werden niet alleen als trekdier gebruikt, maar er werden ook bijzondere hengsten gehouden. Dat blijkt ook uit het bevolkingsregister uit 1931, waarin beroepen staan ​​vermeld als: Opper-Zwitsers, varkensmeester, koetsier etc.

 

Van 1920 tot 1945 was Christian Herbert Müller, bezitter van het Riddergoed. Geboren 5 juni 1869 in Pommlitz en overleden 20 januari 1948 in Dresden. In 1909 Rittmeister van het Uhlanen Regiment nr 3 en in 1910 Kommandant (Majoor) van het Hoofdkwartier van de 3e Armee. Na verschillende generaties Müller op Pommlitz werd het Riddergoed door Christian verpacht aan de Familie Stolze. In 1945 werd de familie Müller onteigend van hun bezittingen door (vermeende) collaboratie en functies binnen het Nationaalsocialisme. Het Riddergoed overgedragen aan de landhervormingen werd vanaf dat moment in dienst genomen als Gemeentehuis en later werd het in gebruik genomen als wooncomplex voor verschillende families. Helaas verloor het Riddergoed in deze tijd zijn uiterlijke aanzien doordat het ingangsportaal en torentje afgebroken werd en de fassades werden teruggebracht tot kale muren. 


In 2005/2006 werd door de nakomeling Christian Müller, lid van de Bundeswehr bij het "Sächsischen Landesamt" een aanvraag ingediend voor de "Regelung offener Vermögensfragen", met de intentie om het eigendom van zijn familie terug te krijgen of een compensatie van de schade veroorzaakt door de Sovjet-Unie. Hierbij werd door de familie ontkent dat deze zich schuldig hadden gemaakt aan de vermeende collaboratie. Deze aanvraag werd echter afgewezen. Op dat moment was het "Herrenhaus" van het Riddergoed Pommlitz reeds verkocht aan de heer Hartwig Kraft von Wedel en waren de bedrijfsgebouwen en gronden weer in andere handen overgegaan. 


Door de nieuwe aankoop van Hartwig Kraft von Wedel in 2008 van het Slot Wiederoda, werd het Riddergoed Pommlitz in hetzelfde jaar verkocht aan Jan en Sania Sieroversche. Circa 2 jaar later werden de voormalige tuinen behorend tot het oude Riddergoed ook verworven door dit echtpaar.


.

EIGENAREN VAN HET RIDDERGOED POMMLITZ:


1378-1412 Johannes von Kaltenborn

1421-1443 Hanns Eylaw (Johannes/Nicolaus Ylowe) auf den Prebende (Johannes) von Kaltenborn 

1447 Nicolaus von Heynitz 

1457 Siegmund von Heynitz

1460-1489 Christoph von Heynitz 

1489-1501 Sigismund von Heynitz 

1501-1525 Hanss von Eyt (von der Heyde)

1525 George von Taupadel

1590 Christoph Heinrich von Taupadel

1620 George Christoph von Taupadel

1620-1640 Caspar von Gunderode 

1644 Siegismund von Seidewitz 

1681 Hans Ernst von Seidewitz 

1713 Carl Heinrich von Seidewitz 

1724 Johann Christian von Schindler 

1743 Friedrich Gottfried von Schindler 

1786 Friedrich Gotthelf von Schindler, Beisitzer am Oberhofgericht 

1795 Johanna Friederike von Holleuffer (1796 verh. von Wedel) 

1817 Adam Ludwig Christian von Wedel, Major 

1822 Carl Christian Gottlieb Kopp 

1836 Carl August Lochmann 

1841 Christian Gottlieb Müller, Leipzig 

1841 Martin Albert Julius Müller 

1878 Auguste Müller (Witwe) 

1899 Julius Arthur Müller 

1919 Müllersche Erben

1920-1945 Christian Herbert Müller

1945-2003 Gemeente Sornzig Ablass

2003-2008 Hartwig Kraft von Wedel

2008 Familie Sieroversche (Friesland)


JOHANNE VON HOLLEUFER


Johanne Friederike von Holleuffer, geboren op 11 augustus 1757 in het Slot Nitschka (Obernitzschka) als dochter van Karl Friedrich von Holleuffer, Adels inspecteur van de prinselijke en staatsschool van St. Augustin in Grimma en Charlotte Johanna von Holleuffer, geboren von Krosigk. Overleden op 21 november 1813 in Meissen.

In 1796 trouwde zij met majoor Adam Ludwig Christian von Wedel. Hij was reeds commissaris van de porseleinfabriek als hij op 6 maart 1793 het hoogste toezicht algemene toezicht op het personeel en het politiesysteem kreeg. Hij werd geboren in 1748 in Mahlis bij Hubertusburg en stierf in 1821 in Meissen.  Kapitein van de infanterie, eerste luitenant bij de Leibgrenadiergarde sinds 1778. Von Wedel nam vanaf 1814 samen met Kühn deel aan het plaatselijke bestuur van de porseleinfabriek en ging op 27 juni 1816 met pensioen. Hij ontving als jaarlijks pensioen van 500 daalders.

 

Als verlovingsgeschenk werd juffrouw von Holleuffer in 1795 eigenaar van het Slot Pommlitz en kort na haar huwelijk met majoor Adam von Wedel kreeg het Herenhuis of Slot Pommlitz haar huidige vorm. In de bouwstijl van de vroegklassieke stijl van Palladio door een architect van de Kunstacademie van Dresden. Kort nadat het nieuwe Slot voltooid was, kreeg ze toestemming om met haar paardenkoets de postweg te gebruiken die vlak langs het Riddergoed liep. Dit echter onder de voorwaarde dat zij op eigen kosten de lange greppel naast de weg zou onderhouden.


In een brief uit 1811 aan de Ambtman van Muntzschen uitte ze haar zorgen over de voogdijrechten van het Kammergut Mahlis over de velden van het Riddergoed Pommlitz en vroeg ze om de vrijstelling van twee weilanden, welke tot 13 juni door het Kammergut Mahlis waren gebruikt. Ze verklaarde dat zij op geen enkele wijze op de hoogte was van de redenen waarom het Kammergut Mahlis hierover de voogdij mocht uitoefenen, vooral omdat het Riddergoed op geen enkele wijze met Mahlis verbonden was. De rechtszaak bereikte opnieuw Dresden. Maar zijne Majesteit de Koning sprak zich alleen ten gunste van de schapenhouderij van het Kammergut Mahlis uit. De rechten op het hoeden van de ongeveer 750 schapen in de kudde mogen onder geen enkele omstandigheid worden beperkt. De dieren zouden het gehele jaar door het voedsel moeten vinden in natte en gevaarlijke houtachtig gewas. Het is echter belangrijk om het vee goed de winter door te krijgen. Vooral het onderhoud van weilanden in de zomer brengt de nodige voorwaarden met zich mee. Dit geeft kracht, geneest ziekten en verzekert toegang tot melk voor de lammeren. Aangezien de weilanden van het Kammergut zelf verder weg lagen, kon men dus alleen maar terugvallen op het weilanden die nabij Mahlis gelegen waren.  Ergo: het verzoek van het Riddergoed werd afgewezen.


In 1812 kreeg de "Herrin" (Vrouwe) te maken met een argument met haar onderdanen. Het struikelblok was de "Hohlweg" van Pommlitz naar Querbitzsch, dat in de winter vaak bedekt was met sneeuw. Volgens de dorpsbewoners zou hun "Genädige Frau" op grond van haar eigendom de plicht hebben om ervoor te zorgen dat de verbinding bereikbaar bleef. Zij deed de zaak af als te triviaal: 'Het ravijn is niet langer dan 20 "laufende Ruthen" en de grootste breedte is niet meer dan 4,5 diep, maar door de ligging van de zijkanten is het zo bedekt dat het nooit helemaal vol kan worden geblazen. Ze zei ook: "Het gebeurt niet elk jaar dat het vol ligt met sneeuw, want sommige winters ligt er helemaal geen sneeuw". Maar als er wel sneeuw valt, werd deze na 2 dagen al door 4 of 5 man sneeuwvrij gemaakt zodat er weer gebruik van de weg gemaakt kon worden. Sinds 1743 heeft het Riddergoed steeds vijf arbeiders ter beschikking hiervan gesteld, weten de boeren, dit feit wordt echter betwist door Vrouwe von Wedel. Tot 1817 konden de boeren geen overeenstemming bereiken met het Riddergoed.