Riddergoed Pommlitz
Mügeln
 

De familie Lettinga

Het Friese boerengeslacht "Lettinga" heeft haar oorsprong liggen in Britsum waar de eerste voorouder onder deze geslachtsnaam in 1533 voorkomt. In dit jaar 1533 koopt Tiaerd Feyckes Goerda ("Andringa") namelijk de Lettingastate in Britsum van Wytze van Oedtsma en noemt zich naar dit nieuwe bezit. De familie Andringa behoorde tot de Friese Adel. Zijn zoon Feyke Tjaerdts Lettinga huwde in 1569 te Britsum met Rieme Tzummedr. Als Feycke op de Lettingastate op 16 juli 1571 overlijdt gaat zijn weduwe een nieuw huwelijk aan met Abe Wybes en vererft het bezit van de Lettingastate naar de dochter Anna Feyckes gehuwd met Ruyrt Tiaertszn. Van 1587 tot zijn eigen overlijden in 1592 vinden wij van dit echtpaar hun zoon Feyke Ruyrts Lettinga als bewoner van de Lettingastate in Britsum. De grafzerk van Feyke Ruyrts Lettinga is nog in de kerk aanwezig.

Het huidige geslacht "Lettinga" dankt hun familienaam door het huwelijk van Floris Dirks (oorspronkelijk uit het geslacht "Bolta" onder Anjum) gehuwd op 18 maart 1703 te Britsum met Trijntie Dirks. Zij was een dochter van Dirk Dircks en kleindochter van eveneens een Dirck Dircks welke overleden is op 28 april 1654. Bij dit overlijden is zijn schoonzoon Feike Jans Lettinga gehuwd met zijn dochter Claeske Dirks samen met zijn aangetrouwde oom Abe Dirks curator over de eerder genoemde zoon Dirk Dirks. Daarnaast is er nog een dochter Sytske Dirks waarover Jan Meinses Bolt(a) en Abe Dirks curatoren zijn. Zowel Abe als zijn broer Dirk Dirks waren kleinzonen van Abe Wybes en zijn vrouw Rieme Tzummedr, de weduwe van Feijke Tjaards Lettinga. 


De zoon van de hierboven genoemde Floris Dirks was "Bauke Floris Lettinga", gedoopt 17 november 1693 te Britsum en overleden 25 mei 1772 te Britsum. Hij was in 1728 pachtboer op de stemgerechtigde zathe nummer 15 te Britsum welke hij op 9 januari 1754 koopt van Regnerus Anneus Lycklema van Wyckel en welke voorheen behoorde tot de Lettingastate. 


Vanaf dit moment kan het geslacht aangemerkt worden als "Eigenerfden" die hun huwelijkspartners vooral in de bovenlaag van de Boerenfamilies vond zoals "Bierma", "Wassenaar", "Dijkstra" en andere rijke geslachten. Of zoals in boerenfamilies vaak een korte opmerking over een ander geslacht plaats vond; "In Lettinga troude altyd op it plak, mar hie nea in eigen plak". Ondanks deze spreuk had het geslacht het aanzien van Herenboeren binnen de boerengemeenschap.