Jan Sieroversche werd volgens zijn geboorteakte geboren op 3 februari 1968 in Groningen als zoon van Wilhelmina Litzkezina Sieroversche (1946) en een onbekende vader.
Als een kind werd geboren zonder een wettig huwelijk als grondslag of als de vader niet bekend was dan volgde hij/zij wettelijk de linie van zijn/haar moeder. Hij werd dan aangemerkt als een Bastaard en in dit geval deelde het kind ook niet in de rechten van zijn beide ouders (bijvoorbeeld het recht op een Adellijke titel of het familiewapen). In dit geval dus alleen het recht op de familienaam "Sieroversche" en de afkomst uit deze familie, maar dus niet het recht op het familiewapen. Zoals dit beschreven staat op de pagina Familie Kirk, zijn de huidige naamdragers van de familienaam Sieroversche feitelijk de familie Kirk uit de USA die een Iers/Schotse oorsprong hebben. Alleen bij Jan Sieroversche (1968) blijkt uit zijn DNA dat hij via zijn vaderlijke lijn ook als enige vreemd genoeg de bloedlijn deelt met de oude familie Sieroversche/Sireuversche (Zur Oeveste).
Volgens opgave van zijn moeder was hij een zoon van de circus artiest en leeuwentemmer "Wolfgang Trunk" (1940-2019) die destijds werkzaam was voor het Circus Belli-Strassburger in Hilversum. Hoewel uit een DNA match blijkt dat 1 van zijn voorouders de Duitse Bosbouwwetenschapper, Houtvester en Hoveling "Johann Jakob (v.) Trunk" (* 21 Februari 1745 in Worms en † 30. Maart 1816 in Alsheim) was, bleek uit de DNA match met zijn grootouders via de mannelijke lijn (het echtpaar Schmidt en Bos) dat het vaderschap aan een ander toegerekend kan worden en daarmee de afkomst uit de familie "Schmidt" bewezen kan worden.
Ook deze familie was een tijdlang werkzaam in het Circus Strassburger en woonde in eerste instantie op het winterkamp van het Circus Strassburger (later Circus Belli) in Hilversum. George Schmidt (1942-2004), een zoon van het echtpaar Jacob Schmidt en Antonia Bos was zelfs een dubbelganger van "Wolfgang Trunk". Van 1962 tot 1964 was hij voor hem een stand-in in het Circus en heeft ook later nog van diens identiteit gebruik gemaakt. Daarnaast was hij autohandelaar en ondernemer in Leiden.
Aangezien onder de oude hoofdregel van onwettige afstamming een kind de afkomst van zijn moeder volgt, dan zou dit voor de grootvader van Jan Sieroversche (1968-) hetzelfde betekenen en dat hij (dus ook wij) feitelijk de wettelijke afstamming volgt van zijn moeder "Elziena Hummel". Vandaar dat ook het geslacht Hummel is opgenomen in deze website. Aangezien zijn moeder echter nog gehuwd was met Christiaan Sieroversche (1868-1905) en hiermee het wettige huwelijk als standaard genomen moet worden spreken wij over een onecht kind, buiten de echt geboren en overspelig kind. Dit wil zeggen een kind dat is verwekt bij een gehuwde vrouw door een man die niet haar echtgenoot is, waarmee dan de vrouw en haar echtgenoot van rechtswege de officiële ouders naar het aloude rechtsbeginsel sola mater est quaedam - "alleen de moeder is zeker". Aangezien dit huwelijk pas na 1905 ontbonden werd en het vaderschap van Jan Sieroversche (1898-1961) door de eerder genoemde Christiaan Sieroversche niet betwist werd is er daarmee sprake van een wettige afstamming uit het geslacht "Sieroversche" ondanks dat de bloedlijn door mijn grootvader niet werd gedeeld.
In retroperspectief tot de middeleeuwen dan kunnen de beschreven geslachten als "adellijk" aangemerkt worden. Hiervan 2 tot de "echte" adel en de rest als geslachten die zijn voortgekomen uit het burgerlijk patriciaat. Voor al deze geslachten geldt echter dat er geen sprake was van bestendige adeldom. Dit wil zeggen volgens een oude rechtsregel dat als een geslacht meer dan 3 generaties niet meer in deze hoedanigheid verkeerde dit een verlies van deze status betekende. Ook het omgekeerde was hierbij waar. Soms kon men door aankoop of belening van een riddergoed of door zijn functie in het publiekelijk verkeer aangemerkt worden als "edel", het betrof hierbij dan persoonlijke adeldom. Als echter deze status 3 generaties binnen dezelfde familie voorkwam kon dezelfde familie aangemerkt worden als "adellijk" dan wel behorend bij het "patriciaat". Bastaarden waren echter uitgesloten van hun voorouderlijke afkomst en golden daarmee als de eerste stamvader van hun eigen "nieuwe" geslacht.
In dit geval zou daarmee Jan Sieroversche (1968-) aangemerkt moeten worden als die eerste stamvader waarbij zijn persoonlijke status in de middeleeuwen vergelijkbaar zou zijn met die van een dienstman (ministeriaal), daarmee behoorde tot de ridderstand. Afhankelijk of deze functie in de stad of op het land werd uitgeoefend was er dan sprake van het "stadspatriciaat" of (lage) "landadel". Voor de beoordeling van zijn status in de middeleeuwen zijn de volgende drie criteria aan de orde. Ten eerste zijn huidige functie als ambtenaar, welke in de middeleeuwen vergelijkbaar zou zijn met die van een "Ambtman". Ten tweede mag de wijze waarin hij is opgegroeid meetellen in deze beoordeling. In dit geval werd hij zijn eerste 8 levensjaren opgevoed door zijn grootmoeder Cornelia Reigersberg, welke familie behoorde tot het Stadspatriciaat van Groningen. Later huwde zijn moeder op 11 juli 1980 te Leeuwarden met Douwe Lettenga (Lettinga), een telg uit een boerengeslacht (Eigenerfde Herenboeren) welke verwant was aan de rijke boerengeslachten "Bierma", "Wassenaar" en "Dijkstra" uit de Bildthoek in Friesland. Na zijn huwelijk vestigde zich Douwe Lettinga met zijn nieuwe gezin als vastgoedbezitter in de Stad Leeuwarden aan de Camminghastraat nr 9 te Leeuwarden. Hoewel Jan Sieroversche in dit huwelijk niet de achternaam van deze nieuwe man zou dragen, werd hij in diens testament van 28 januari 2008 wel benoemd als universeel erfgenaam na het overlijden van zijn vrouw. Ten derde zijn bezit van het riddergoed Pommlitz, welke oorspronkelijk een ambachtsheerlijkheid betrof en waarbij het recht op de titel "Erbherr" (Erfheer cq Ambachtsheer) nog steeds aanwezig is.
Deze 3 criteria wegende kan hieraan de conclusie verbonden worden dat mijn persoonlijke (sociale) status in de Middeleeuwen op grond van de eerste twee criteria aangemerkt zou zijn als behorende tot het (Stads)patriciaat en daarmee gelijkwaardig aan de Ridderstand. Het eigendom van het Riddergoed Pommlitz zou mijn persoonlijke (sociale) status echter hebben verheven tot de feitelijke Ridderstand (met als persoonlijke titel "Ritter" of "Erbherr") zolang ik in het bezit van dit Riddergoed zou blijven.
Gelukkig zijn de duistere middeleeuwen sinds lang voorbij en heeft de adel zijn rechten sinds 1848 verloren. Daarnaast zijn ook de nadelen van een onwettige afstamming (kinderen voortgekomen uit een verbintenis waarbij ouders niet gehuwd waren) niet meer aan de orde door de diverse wetswijzigingen die al vanaf 1967 in Duitsland en Nederland hebben plaatsgevonden. In onze tijd is het niet meer belangrijk wat iemand zijn afkomst is maar vind deze beoordeling alleen nog maar plaats op grond van het individu. Voor iemand die echter een passie heeft voor historie zoals ik, is het echter wel leuk om dit op deze wijze in kaart te brengen.
Volgens het CBG (Centrum voor familiegeschiedenis) onder de titel "Bastaarden, figuren in de marge?" waren tot ongeveer 1800 onwettige kinderen vaak overgangsfiguren tussen elites en iets lager geplaatste sociale groepen. In de middeleeuwen werd doorgaans verwacht dat ze zich in hun wapenschild blijvend onderscheidden met een bastaardstreep of ander opvallende aanpassing. Tegenwoordig is dat niet meer zo. In de Gen. (2022, nr. 4) schenkt Maarten van Bourgondiën uitgebreid aandacht aan bastaarden.
Vanwege het klassieke Romeinse erfrecht maakten buitenhuwelijkse kinderen geen aanspraak op de erfenis van hun vader. Wel konden ze tijdens diens leven begiftigd worden met goederen of gelegitimeerd worden door het hoogste gezag. Ondanks deze symbolische en juridische aanpassingen bleven ze een klasse apart. Bastaarden van de hoogste adel hadden privileges en waren dus ook van adel. Bastaarden van middelhoge en lagere adel schoven vaak door naar een niet-adellijke elite of gingen op in de sociale middengroepen.
De levensloop van het onwettige kind werd sterk bepaald door de afkomst van de moeder. Als zij ook uit een elite afkomstig was, was de kans op maatschappelijk succes groter. Het echte taboe op het onwettige kind is overigens een product van de Reformatie. Vóór die tijd gold Mieux vaut être batard que d'être annobli: 'Liever een bastaard te zijn, dan van burger tot edelman gemaakt te worden. De adel werd gezien als een 'ras' dat ontstaan was uit deugden als dapperheid en wijsheid. Eigenschappen die letterlijk via het bloed zouden zijn doorgegeven.
Hoewel bastaarden invloed konden krijgen in de huishouding van hun familie, zoals Antoon van Bourgondië (1421-1504, bron: Wikipedia), werden ze scherp in de gaten gehouden. Ter voorkoming van valse pretenties was de heraldische bastaardstreep of linkerschuinstaak in het wapen dan ook verplicht. Het maken van dit soort modificaties noemen we breken. Bastaarden werden vaak opgevoed in het adellijke gezin van hun halfbroers en -zussen en hadden een aansluitende plaats in de familiehiërarchie. Deze hield verband met de verdeling van goederen tussen oudere en jongere takken, maar ook met militaire aangelegenheden. Daarbij kon de oudste zoon met weglating van de barensteel (een dwarsbalk met blokvormige ‘hangers’ eraan) het volle wapen van zijn zojuist gesneuvelde vader voeren, gevolgd door andere wapenfiguren die onderscheid maakten tussen de jongere broers of natuurlijke halfbroers en -zussen. Veel bastaarden maakten de gehate streep korter en smaller, maar bij het gemiddelde onechte kind volstond het om het wapen met een onderscheidend teken, een remarquabele note, te breken. Tot een vast adellijk breukensysteem kwam het in Nederland niet, terwijl de burgerij al heel vaak per generatie zijn wapens aanpaste zonder dat er onwettigheid in het spel was.
Ongeveer veertig procent van de baby's wordt tegenwoordig buiten een huwelijk geboren. Ook het kind van wie de vader adeldom heeft, is automatisch 'van adel'. Oude tradities van bastaardstrepen horen gelukkig tot het verleden, maar wapens worden nog wel gebroken als het narratief in de familie verandert, bijvoorbeeld als de achternaam en het wapen in vrouwelijke lijn worden doorgegeven, of als er sprake is van een adoptie. Dit is allemaal facultatief en vrij, zolang de overige regels van de heraldiek worden gevolgd en niet het wapen van een andere familie wordt gestolen.
Het Nederlands Burgerlijk wetboek geeft hierover het volgende;
Wetgeving tot 1998
In Nederland gold als onwettig kind voorheen in beginsel elk kind dat niet tijdens een wettig huwelijk of binnen een bepaalde tijd (307 dagen) na ontbinding van het huwelijk is geboren. Daar de wetgever zo weinig mogelijk kinderen de status van wettig kind wilde onthouden, was het enerzijds moeilijk een kind dat uiterlijk de staat van een wettig kind voerde, tot onwettig kind te degraderen en anderzijds gemakkelijk een onwettig kind de staat van wettig kind te verschaffen. Verlies van wettigheid vond plaats wanneer een getrouwde man een rechtsvordering tot ontkenning van het vaderschap van een binnen zijn huwelijk geboren kind met succes bekroond zag. Een onwettig kind kon de staat van wettig kind verkrijgen door wettiging en door adoptie. Onwettige kinderen werden onderscheiden in erkende en niet-erkende. Het verschil kwam onder meer in het erfrecht tot uiting. Een onwettig kind kreeg naar Nederlands recht door zijn geboorte de staat van natuurlijk kind van zijn moeder (art. 221 BW (oud). Deze bepaling herstelde het aloude (rechts-)beginsel 'Moeder maakt geen bastaard' volledig in ere.
Huidige Burgerlijke Wetgeving
Sinds 1998 is het onderscheid gehuwde en ongehuwde moeder komen te vervallen, onder andere naar aanleiding van het baanbrekende arrest Marcxk vs België van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De Nederlandse wetgeving maakt in het personen- en familierecht van het Burgerlijk Wetboek een ander onderscheid, namelijk tussen kinderen die wel en kinderen die niet in familierechtelijke betrekkingen tot hun (beide) ouders staan.